Vandaag vier ik een klein beetje een verjaardag. Ik werk namelijk exact tien jaar lang mee aan de stripversie van F.C. De Kampioenen als assistent van Hec Leemans. Op 8 oktober 1998 tekende ik voor het eerst de garage van DDT op strook 23 van het zesde album. Ondertussen hebben we net het 55e album beëindigd. Dat betekent dat ik in die tien jaar ongeveer 1500 pagina’s heb afgewerkt. En met afwerken bedoel ik decors uitwerken, inkten en de teksten in de tekstballonnen plakken. In de loop van die tien jaar heb ik af en toe een zeer beperkte inhoudelijke bijdrage geleverd. Zo lagen suggesties van mijnentwege aan de basis van personages als oma Boma, de kleine kampioentjes en inspecteur Porei en schreef ik het scenario voor “Kampioenen in Afrika” en stukjes van “Agent Vertongen” en “De groene zwaan”. Ik veronderstel dat een inhoudelijke inbreng groter zou zijn indien Hec en ik effectief in dezelfde ruimte zouden werken aan deze strip, maar daar we beiden thuis werken, is de wisselwerking beperkt. Gelukkig heb ik absoluut geen probleem met thuis werken.
Sommige lezers lijken ervan uit te gaan dat ik F.C. De Kampioenen helemaal op mijn eentje maak, wat natuurlijk absoluut niet het geval is. F.C. De Kampioenen is en blijft het werk van Hec. Indien ik morgen om de een of andere reden zou beslissen mijn assistentschap te beëindigen, zou niemand dat merken aan de strip. En ik kan dat gemakkelijk bewijzen aan de hand van album 46, waar ik helemaal niets mee te maken heb, maar dat er voor de rest uitziet als ieder ander album uit de reeks.
Ik herinner me nog heel goed de dag waarop ik een telefoontje van Hec kreeg, met de vraag of ik het zou zien zitten om zijn medewerker te worden. Na afloop sprong ik letterlijk het figuurlijke gat in de lucht. Want dit betekende dat ik eindelijk zou kunnen leven van het maken van strips. Op dat moment had ik al een tiental albums op mijn naam staan, maar die albums hebben mij op financieel vlak bitter weinig opgebracht. Voorpublicaties in tijdschriften als De Gay Krant en Gay & Night leverden weliswaar een klein beetje op, maar dat was absoluut niet genoeg om van te kunnen leven. Dus had ik naast mijn stripwerk nog een deeltijdse job. En ik haatte die job. Het feit dat mijn baas ook mijn wederhelft was maakte het alleen maar erger ( werk nooit samen onder iemand waarbij je samenwoont! ). Maar daar kon ik dus eindelijk mee ophouden.
Ik heb ooit een discussie gehad met een jonge tekenaar die beweerde liever ergens in een fabriek of zo te werken dan strips te moeten maken in een studio. Een houding die ik nooit heb begrepen, vooral niet omdat de tekenaar in kwestie een opleiding volgde aan Sint Lucas als stripauteur. Als je een vak studeert is dat toch omdat je op de een of andere manier hoopt je brood te verdienen als stripmaker ( zonder dat je daarvoor hoeft te rekenen op subsidies )?
Nu begrijp ik ook wel dat niet iedere tekenaar geschikt is om in de stijl van iemand anders te werken, want dat is namelijk een stuk moeilijker dan het werken in je eigen stijl. Maar als je dat kan, biedt het werken in studio- of een andere samenwerkingsverband soms mooie kansen. Stel dat ik niet zou samengewerkt hebben met Hec, dan zou Hec nooit mijn naam doorgespeeld hebben aan de vrt toen ze op zoek waren naar een tekenaar op een korte strip te maken naar aanleiding van Sergio’s deelname aan het eurovisiesongfestival. En die strip bracht me in contact met de uitgever van De Stripuitgeverij/Dupuis, die mij de kans bood om een stripversie te maken van “Kid City”. Na twee albums werd ik weliswaar bedankt voor bewezen diensten, maar toch.
Zonder Hec Leemans zou ik ook nooit gevraagd zijn om de scenario’s voor “En Daarmee Basta!” te schrijven, en zou ik nooit twee albums van “W817” op mijn naam hebben staan ( ik ga ervan uit dat ik de andere albums die ik voor Standaard heb gemaakt aan mezelf te danken heb, maar ik kan daar natuurlijk nooit zeker van zijn – bij de albums voor uitgevers als Mannerschwaerm, Green Candy Press, Bruno Gmunder Verlag of Atlas ben ik dat wel ).
Al deze commerciële jobs zijn mijn vorm van persoonlijke subsidie, want dankzij de inkomsten die ze opbrengen, kan ik tijd vrijmaken voor het maken van meer persoonlijk strips waar ik geen cent aan verdien. Of toch bijna niets, ondanks vertalingen en publicaties in het buitenland.
Ik ben weliswaar mijn street credibility compleet verloren sinds ik meewerk aan FC De Kampioenen, maar ik verdien er wel mijn brood mee, en ik kan daarnaast volop aan mijn eigen oeuvre verder werken. Prima geregeld dus. Er mogen gerust nog tien jaar bijkomen.